3. Autisme symptomen

Autisme symptomen verschillen in gradaties en vormen. Sommige mensen met autisme zoeken weinig contact met anderen. Anderen doen dit juist heel actief, maar vaak op een manier die ‘vreemd’ overkomt. Er zijn mensen met autisme en een (licht) verstandelijke beperking, maar ook mensen met autisme en een hoge intelligentie. Voor bijna iedereen met autisme geldt dat het lastig is om te leven in een wereld waarin gebeurtenissen los van elkaar staan en waarin anderen betekenis geven aan iets wat je zelf niet op die manier ziet.

De meest voorkomende kenmerken van autisme zijn:

  • Moeilijk contact maken en onderhouden;
  • Veel moeite hebben met veranderingen;
  • Niet flexibel zijn in denken en doen;
  • Zich moeilijk iets kunnen verbeelden of de fantasie laten gaan;
  • Gevoeliger of juist minder gevoelig voor prikkels als pijn en geluid zijn;
  • Anderen minder goed kunnen aanvoelen;
  • Herhaling in gedragingen en vasthouden aan routines;
  • Overmatige belangstelling voor een bepaald onderwerp.

Omdat er zoveel verschil is in ernst en uiting van deze autisme symptomen, is het heel belangrijk goed onderzoek te laten uitvoeren voor een juiste diagnose en behandeling.

Autisme symptomen bij kinderen: hoe herken je autisme bij je kind?

Autisme is een aangeboren neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Het is echter niet direct te herkennen bij een pasgeboren baby. Autisme symptomen worden meestal herkend vanaf een leeftijd van twee jaar. Als de ontwikkelingsachterstand van het kindje echter al duidelijk merkbaar is, zullen sommige kenmerken al naar voren kunnen komen voordat het kindje één jaar is. Maar als de symptomen heel subtiel zijn, kan het ook zijn dat de symptomen pas merkbaar zijn op een wat latere leeftijd. Om de symptomen zo snel mogelijk te herkennen, kun je letten op het volgende:

1. Problemen met sociale communicatie en sociale interactie

Bij kinderen met autisme en een laag intelligentieniveau loopt de spraakontwikkeling vaak achter. Bij kinderen met autisme en een gemiddeld tot hoog intelligentieniveau is de spraakontwikkeling over het algemeen voldoende ontwikkeld, maar verloopt deze vaak anders dan bij kinderen zonder autisme. Daarnaast gaan kinderen met autisme:

  • Anders om met klemtoon en woordgebruik;
  • Herhalen vaak woorden en zinnen;
  • Verwisselen naamwoorden (zeggen ‘jij’ in plaats van ‘ik’);
  • Verzinnen soms woorden en uitdrukkingen.

Deze autisme symptomen kunnen minder worden of verdwijnen wanneer kinderen ouderen worden. Bij alle kinderen met autisme blijven echter de problemen bestaan die te maken hebben met communicatie en sociaal gebruik van taal.

2. Kenmerkende gedragspatronen

Beperkt en repetitief gedrag, ook bekend als stereotypen, kan een aanwijzing zijn voor de ernst van een autisme spectrum stoornis. De manier waarop het zich uit is afhankelijk van het verstandelijk niveau. Sommige kinderen met autisme, vooral die met een lager IQ:

  • ‘Fladderen’ met de handen of armen;
  • Springen bij opwinding;
  • Lopen op hun tenen;
  • Of maken stereotiepe bewegingen.

Verder zijn kinderen met autisme, ongeacht het intelligentieniveau, sterk gehecht aan vaste routines en rituelen. Ze kunnen er slecht tegen wanneer zaken veranderen of anders verlopen dan volgens hun eigen ‘regels’ hoort te gaan.

3. Kenmerkende interesses en activiteiten

Kinderen met autisme tonen tevens vaak een diepe en gefocuste interesse voor een beperkt aantal onderwerpen. Het kan hierbij gaan om een ongebruikelijke interesse, zoals voor spoorboekjes, dienstregelingen, schoenmaten of landkaarten. Maar er kan ook sprake zijn van een versterkte interesse in een op zich gewoon onderwerp passende bij de leeftijd. Denk hierbij aan interesse in computers of kleding, maar dan op een ongewone manier.

4. Zingtuiglijke prikkels

Er kan ook sprake zijn van sensorische problemen. Kinderen met een autisme spectrum stoornis kunnen op een afwijkende manier omgaan met zintuiglijke prikkels:

  • Verminderd gevoelig zijn voor prikkels (ze reageren nauwelijks op pijn);
  • Juist extra gevoelig zijn, of gericht zijn op, bepaalde prikkels. Denk hierbij aan overgevoeligheid voor pijn, harde geluiden of gefascineerd zijn door aanraking van zachte stoffen of schitteringen van een spiegel;
  • Gefascineerd of geïrriteerd zijn door prikkels die anderen nauwelijks opvallen, zoals het geritsel van een papiertje of het krassen van bestek over een bord. Deze sensorische problemen kunnen leiden tot problemen met eten of met aankleden. Zo kan de overgang naar vast voedsel, een beperkt eetpatroon of altijd dezelfde kleding aan willen hebben problematisch worden.