9. Paniekstoornis

Wat is een paniekstoornis?

Als je regelmatig paniekaanvallen hebt, heb je mogelijk een paniekstoornis. Bij een paniekaanval ervaar je heftige angst die in korte tijd opkomt en je lijkt te overvallen. Dit gaat samen met verschillende angstverschijnselen, bijvoorbeeld hartkloppingen, zweten, trillen, pijn op de borst of duizeligheid. Je hebt het gevoel dat je gek wordt, de controle verliest of zelfs doodgaat. Mensen met een paniekstoornis maken zich zorgen over het krijgen van een nieuwe paniekaanval. Ze proberen dit te voorkomen, bijvoorbeeld door niet meer te gaan sporten of onbekende situaties te vermijden. Bij een paniekstoornis heb je na de eerste paniekaanval ten minste nog één onverwachte aanval gehad. Bij sommigen komt het elke dag voor, maar het kan ook zijn dat er dagen of weken tussen de aanvallen zit.

Hoe ontstaat een paniekstoornis?

Er is niet één specifieke oorzaak voor een paniekstoornis aan te wijzen. Niet iedereen die een paniekaanval heeft, ontwikkelt ook een paniekstoornis. De volgende factoren vergroten het risico dat je een paniekstoornis krijgt:

  • Erfelijkheid – als angst- en stemmingsstoornissen in je familie voorkomen, heb je een grotere kans om een paniekstoornis te ontwikkelen;
  • Negatieve ervaringen – een paniekstoornis komt vaker voor bij mensen die in hun kindertijd nare gebeurtenissen hebben meegemaakt;
  • Stress – de meeste mensen hebben last van stressvolle omstandigheden, bijvoorbeeld conflicten, een ziekte, of een overlijden, in de periode voor hun eerste paniekaanval;
  • Roken – je hebt een grotere kans om een paniekaanval te krijgen als je rookt;
  • Persoonlijke eigenschappen – bepaalde persoonseigenschappen vergroten de kans op het krijgen van een paniekstoornis. Dit is met name zo als je snel negatieve emoties ervaart en gelooft dat angst gevaarlijk is.

De gevolgen van regelmatige paniekaanvallen

Een paniekstoornis kan grote gevolgen voor je leven hebben op zowel psychisch als lichamelijk vlak; je lichaam wordt namelijk regelmatig onder een bepaalde mate van hevige stress gezet. Door een paniekstoornis zal je vaak geneigd zijn om bepaalde activiteiten en plekken uit de weg te gaan, waardoor je wereld kleiner wordt en je je eenzaam kunt gaan voelen. Het kan zelfs zijn dat je je huis bijna helemaal niet meer durft te verlaten, waardoor werken of school niet meer mogelijk is en je je somber en zinloos gaat voelen. Sommige mensen met een paniekstoornis schamen zich voor hun klachten, waardoor ze deze proberen te verbergen. Het komt ook voor dat mensen met een paniekstoornis regelmatig naar de spoedeisende hulppost gaan, bijvoorbeeld omdat ze denken dat ze een hartaanval hebben.

Hoe behandel je een paniekstoornis?

Er bestaan goede behandelingen voor een paniekstoornis. In de intakefase wordt gekeken welke therapievorm het beste voor jou is. Dit heeft onder andere te maken met de ernst, duur en oorzaak van je klachten, en met jouw eigen doelen. Lees hier meer over de verschillende behandelopties bij angststoornissen.

Cognitieve gedragstherapie bij een paniekstoornis
Een behandeling met cognitieve gedragstherapie is de eerste keuze bij een paniekstoornis. Deze behandeling bestaat uit verschillende onderdelen: interoceptieve exposure, cognitieve therapie en exposure in vivo.

Interoceptieve exposure

Als je een paniekstoornis hebt, ben je meestal bang voor je eigen lichamelijke angstgevoelens. Je denkt dat er iets ernstigs aan de hand is of dat je deze gevoelens niet aankan. Met interoceptieve exposure word je blootgesteld aan de lichamelijke gevoelens die je ook ervaart bij een paniekaanval, zoals hartkloppingen, een gevoel van ademnood of duizeligheid. Zo leer je wennen aan deze nare gevoelens en zal je zien dat ze vanzelf weer verdwijnen. Ook merk je dat de lichamelijke gevoelens niet gevaarlijk zijn. Zo word je minder bang voor een paniekaanval.

Cognitieve therapie

Met cognitieve therapie ga je onderzoeken of de gedachten die je voor en tijdens een paniekaanval hebt wel kloppen. Als je last hebt van paniekaanvallen, maak je vaak automatisch een koppeling tussen een lichamelijk angstgevoel en een rampgedachte, zoals ‘ik ga flauwvallen’, ‘ik verlies de controle’ of ‘ik ga dood’. Ook kun je de overtuiging hebben de lichamelijke gevoelens niet aan te kunnen. Bij dit onderdeel leer je meer realistische en helpende gedachten te krijgen. Je kan jezelf bijvoorbeeld geruststellen met de gedachte dat je nog nooit bent flauwgevallen of dat je niet dood kan gaan van een paniekaanval. Door de angstgedachten om te buigen, zal je minder last krijgen van je paniekklachten.

Exposure in vivo

Wanneer je last hebt van een paniekstoornis, ben je geneigd om bepaalde plekken en activiteiten te vermijden, zoals het openbaar vervoer of de bioscoop. Omdat je verwacht daar een nieuwe paniekaanval te krijgen, ga je er liever niet naartoe. Het kan ook zijn dat je bepaalde maatregelen neemt die je een ‘veiliger’ gevoel geven, zoals nooit alleen gaan of altijd een kalmeringspil meenemen. Maar uiteindelijk helpt dit soort gedrag je niet. Met dit onderdeel ga je spannende plekken en activiteiten juist opzoeken, en je voorzorgsmaatregelen achterwege laten. Samen met je behandelaar bedenk je haalbare stappen om dit te bereiken. Zo leer je om lastige situaties niet meer te vermijden. Als je ervaart dat je deze situaties aankan, zal je er minder bang voor worden.